22|02|2010

Lezing Scott Miller 6 februari 2010

Zaterdag 6 februari gaf Scott D.Miller een inspirerende presentatie onder de naam; The heart and soul of Therapy. Deze lezing ging over wat volgens hem en legio andere wetenschappers en onderzoeken wel en niet werkt in therapie. Wetenschappelijk bewijs werd flitsend en met een lach gepresenteerd. Fascinerend zijn de volgende feiten:

Therapeut/Cliënten:

  • 80% van de cliënten die behandeld worden is beter af dan wanneer zij niet behandeld zouden zijn.
  • Het aantal behandelingen dat noodzakelijk is om deze verbetering tot stand te brengen is 3-7.
  • Een op de 10 cliënten maakt geen enkele progressie.
  • Het aantal cliënten dat afhaakt is 47%
  • Therapeuten kunnen vaak niet aangeven bij welke cliënten het mis is gegaan (waar therapie niet geholpen heeft).
  • 1 op de 10 cliënten is verantwoordelijk voor 60-70% van alle kosten (dit zijn de zogenaamde cliënten die jarenlang blijven of die van de ene naar de andere therapeut switchen).
  • Mensen gaan niet op zoek naar een therapeut omdat ze het te duur vinden en ze geen vertrouwen hebben in wat het hen oplevert.
  • Het aanzien van een therapeut is laag.


Resultaat van de behandeling:

  • Welke behandelmethode er wordt toegepast heeft het kleinste effect op de uitkomst van de behandeling (8%). (Project Match).
  • 60% heeft te maken met de band tussen de therapeut en cliënt.
  • 30% heeft te maken met of de cliënt is toegewijd, betrokken.
  • De grootste verbetering vindt plaats gedurende de eerste 4 behandelingen.


De praktijk:

  • Therapeuten geloven dat de behandelmethode leidt tot een succesvol resultaat.
  • Het medische model wordt aangehangen (Ziekte model).


Pratice based model:

  • Client Directed Outcome Informed (CDOI)
              o cliënt gericht en gebaseerd op resultaten
  • Het gaat om profijt dat de cliënt behaald en niet om de behoefte!
  • Het herstellen van het functioneren van de cliënt in v de maatschappij als doel


Dit laatste model wordt d.m.v. de ORS/SRS lijsten tijdens de behandelingen toe te passen in de praktijk gebracht. Het zorgt voor valide, betrouwbare en uitvoerbare cliënten feedback in de zorg. Therapeuten die niet naar band tussen hen en de cliënt vragen hebben 2x zoveel kans dat de cliënt tussentijds stopt en 3-4 x zoveel kans dat de uitkomst van de behandeling negatief of nul is. Als er geen vooruitgang is na 4 behandelingen dan dient er intervisie plaats te vinden. Het kan (zeer) goed zijn dat de cliënt beter af is bij een collega therapeut of in een andere omgeving daar sommige factoren bepalend zijn in de behandeling (unieke kwaliteiten cliënt, achtergrond, sekse etc., unieke kwaliteiten therapeut, achtergrond, sekse etc, omgeving). Je faalt dus niet als therapeut als je een cliënt doorstuurt naar een andere therapeut.

Meer informatie over Scott D. Miller, de presentatie, onderzoeken die zijn uitgevoerd en de hoe het in de praktijk werkt: www.scottdmiller.com,  www.centerforclinicalexcellence.com