We hebben voedsel nodig om in leven te blijven. Daarnaast eten we voor de gezelligheid, om iets te vieren of om onszelf te troosten. Voor mensen met een eetstoornis is voedsel een obsessie geworden. Hun leven wordt beheerst door eten.
De meest voorkomende eetstoornissen zijn:
- Anorexia nervosa
Mensen met Anorexia hebben een onweerstaanbare drang om af te vallen, zelfs als zij al sterk zijn vermagerd. Ze tellen voortdurend calorieën en tobben over wat ze wel of niet moeten eten. Alles wat te maken heeft met eten, gewicht en lichaamsomvang is voor voor anorexia-patiënten een obsessie.
- Boulimia nervosa
Boulimia nervosa wordt ook wel eetverslaving genoemd. Mensen met boulimia hebben vaak eetbuien waarbij grote hoeveelheden eten naar binnen worden gewerkt. Zij kunnen niet meer stoppen met eten. Na een eetbui proberen zij het eten zo snel mogelijk weer kwijt te raken. Bijvoorbeeld door te braken, het gebruik van laxeermiddelen en in sommige gevallen door een periode streng te vasten. De meeste mensen met boulimia hebben een normaal gewicht.
- Binge Eating Disorder (eetbuistoornis)
Binge Eating Disorder, ook wel eetbuistoornis genoemd, lijkt veel op boulimia. Want ook bij Binge Eating Disorder hebben mensen regelmatig hevige, onbedwingbare eetbuien. In korte tijd wordt vaak veel, ongezond voedsel gegeten, zonder dat daar een hongergevoel aan vooraf gegaan is. Achteraf voelen deze mensen zich somber en ontzettend schuldig. Het grote verschil met boulimia is dat mensen met een eetbuistoornis niets doen om het voedsel weer kwijt te raken. Vaak gaan ze zelfs alleen nog maar meer eten en hebben hierdoor een grote kans op obesitas (zwaarlijvigheid).
De gevolgen van een eetstoornis zijn aanzienlijk. Naast lichamelijke klachten heeft deze stoornis vaak gevolgen voor sociale contacten, het werk of school. Bovendien zorgt een eetstoornis voor psychologische veranderingen in gedrag, gedachten en gevoelens.
Schaamte, ontkenning en het proberen te verbergen van het eetgedrag zorgen ervoor dat mensen vaak laat hulp zoeken voor hun probleem. Terwijl de kans op herstel juist groter lijkt te zijn bij vroege signalering.